1. Bingokaart
- Elk kind krijgt een bingokaart met plaatjes of cijfers.
2. Het spel
- De spelleider trekt steeds één plaatje of nummer.
- Dit wordt duidelijk genoemd of laten zien.
- Staat het plaatje of nummer op jouw kaart? Dan streep je het af.
3. Wanneer heb je bingo?
Van tevoren wordt afgesproken wanneer je bingo hebt, bijvoorbeeld:
- Eén volle rij
- Twee volle rijen
- Vier hoeken
- De hele kaart vol
4. Bingo roepen
- Heb je bingo? Roep dan hard “BINGO!”
- Als je bingo hebt, roep je zo snel mogelijk “Bingo!”
Wordt de bingo pas ontdekt nadat de volgende bal is geroepen, dan telt deze helaas niet meer mee. - De spelleider controleert of het klopt.
- Is het goed? Dan win je een prijsje
- Is het niet goed? Dan spelen we gewoon verder.
5. Meedoen is belangrijker dan winnen
- Meedoen en plezier maken staat voorop
- Er zijn meerdere rondes, zodat iedereen kans heeft om te winnen.
Deelname aan de bingo is geheel vrijblijvend. Over de uitslag kan niet worden gecorrespondeerd.
